Bij een borstvergroting kunnen, net als bij andere operaties, complicaties optreden zoals nabloeding, infectie of in zeldzame gevallen het uitgestoten worden van een prothese. Littekens kunnen tijdelijk rood en dik zijn, en gestoorde wondgenezing kan een blijvend breder litteken veroorzaken. Het lichaam vormt altijd een bindweefsellaag (kapsel) om de prothese; soms trekt dit kapsel zich samen, waardoor de borsten hard of onnatuurlijk worden. Het is niet te voorspellen bij wie dit gebeurt, en het kan verschillen tussen de twee borsten.
Polyurethaan gecoate en geruwde prothesen verminderen de kans op overmatige kapselvorming, en A Klinieken gebruikt uitsluitend deze soorten. In zeldzame gevallen kan een prothese kapot gaan; dit merkt u aan een knappend gevoel of verandering van borstvorm. Kapotte prothesen moeten altijd worden vervangen. De normale risico’s van narcose zijn aanwezig, maar niet groter dan bij andere operaties.
Kapselvorming (Baker-classificatie)
-
Graad 1: soepele borst met natuurlijke vorm (komt bij alle patiënten voor)
-
Graad 2: vastere borst, natuurlijke vorm behouden
-
Graad 3: vastere borst, zichtbare vervorming
-
Graad 4: duidelijke vervorming van de borst
Bij graad 3, 4 en bij klachten gecombineerd met graad 2 kan een operatie nodig zijn: openen of verwijderen van het kapsel, wijzigen of verwijderen van het implantaat. Wereldwijd treedt graad 2 of meer kapselvorming op bij ongeveer 5% van de borstvergrotingen; bij A Klinieken is dit percentage lager. Zorgvuldige operatie- en nazorgpraktijken, gecombineerd met moderne protheses, verkleinen de kans op overmatige kapselvorming.
Prothese dislocatie kan voorkomen, vooral bij driedimensionale prothesen. Het dragen van een stevige BH of elastische band gedurende de eerste 3–6 weken helpt de prothese op de juiste plek te fixeren. Bij dislocatie is een chirurgische correctie nodig. De plastisch chirurg informeert over de duur van BH- of bandgebruik.
A Klinieken gebruikt alleen A-merken borstprothesen met levenslange garantie. Bij betasten van de borst kunnen kleine onregelmatigheden zichtbaar zijn; bij twijfel kan een MRI uitsluitsel geven.